PROGRAMMA ACADEMIEJAAR 2017-2018

 

I. BASISVAKKEN OF VERPLICHTE VAKKEN

 

(elk vak 6 lesavonden, alle vijf vakken op te nemen indien het volledig jaarprogramma wordt gevolgd)

 

1. Schilderkunst in de Nederlanden: de eeuw van BruegelNanny Schrijvers

 

In de 16e eeuw doet de renaissance haar intrede in de schilderkunst van de Nederlanden, en in het bijzonder in Antwerpen. Heel wat schilders combineren Italiaanse invloeden met de picturale traditie van eigen bodem: hun werken getuigen van een nieuwe geest, waarbij toch het eigen karakter van de individuele kunstenaar herkenbaar blijft. Onder hen zijn grote namen als Quinten Metsys, Joachim Patenier, Jan Gossart, Pieter Bruegel, Antonio Moro… Nieuwe thema’s –onder andere mythologische- worden in beeld gebracht; de emancipatie van de schildergenres zet zich door: portretten, landschappen en genrestukken zijn een lust voor het oog. De laatste generatie schilders zoals Maerten de Vos, de dynastie van de Franckens, Otto van Veen bereiden met hun monumentale schilderijen de zeventiende-eeuwse barokkunst voor.

 

 

 

2. Schilderkunst algemeen : romaans en gotiek - Peter De Laet

 

De schilderkunst van de middeleeuwen wordt in historisch perspectief geplaatst en bestudeerd. Vanuit de Iers-Keltische vlechtwerkpatronen in de boekverluchting, over de Karolingische en Ottoonse miniatuurkunst, wordt de lijn doorgetrokken naar de romaanse schilderkunst. De expressieve stijl en de kleurtegenstellingen van de romaanse kunst worden besproken aan de hand van de muurschilderkunst en boekillustratie in Frankrijk en Spanje. Tijdens de gotische periode volgen we parallel de humaniserende ontwikkeling van de verfijnde miniatuurkunst in Frankrijk en de levendige paneel- en wandschilderkunst in Italië. Afsluitend komt de internationale stijl aan bod.

 

 

 

3. Beeldhouwkunst algemeen : romaans en gotiekDaniëlle Calluwé

 

Oorsprong en ontwikkeling van de middeleeuwse beeldhouwkunst in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië. Wat de romaanse sculptuur betreft, gaat de volle aandacht naar de regionale scholen in Frankrijk (Bourgondië, Languedoc, Auvergne, Aquitanië, Provence) en de route naar Santiago de Compostela. Sluter is de centrale figuur voor de klassieke gotiek. De Duitse gotische beeldhouwkunst wordt voornamelijk behandeld aan de hand van de voorbeelden in Straatsburg, Bamburg en Naumburg. Voor Italië is de kunst van de Pisano’s het centrale uitgangspunt. Dit overzicht is geïllustreerd met origineel en gedetailleerd beeldmateriaal en beoogt vooral de stilistische kenmerken, overeenkomsten en verschillen te leren onderscheiden.

 

 

 

4. Bouwkunst Europa: barok, rococo en classicism  Stefan de Clippele

 

De cursus vat aan met de kerkelijke barok-bouwkunst in Italië en gaat na op welke wijze deze geïnterpreteerd wordt in Vlaanderen. Vervolgens wordt de burgerlijke bouwkunst in de Zuidelijke Nederlanden toegelicht. Voor de architectuur van de 18e eeuw worden de ontwikkelingen in Zuid-Duitsland en Oostenrijk vergeleken met die van Frankrijk. Op welke wijze werden deze invloeden in Vlaanderen in de rijk gestoffeerde stadspaleizen verwerkt? Bij deze ontwikkelingen wordt veel aandacht besteed aan de rijkelijk gedecoreerde interieurs.

 

 

 

5. Esthetica IINanny Schrijvers

 

In deze cursus gaat het in de eerste plaats niet over kunstwerken maar over hoe mensen kunst aanvoelen, ervaren, smaken.

Wat verwacht men van kunst: schoonheid, verwondering, kwaliteit, plezier, inhoud, integriteit of waarheid…? Zijn er algemene regels of is de esthetische beleving een individuele bezigheid? Deze lessenreeks sluit aan bij Esthetica I, maar kan ook zelfstandig gevolgd worden.

 

 

 

 

 

 

 

II. BIJZONDERE VAKKEN OF KEUZEVAKKEN

(elk vak 6 lesavonden, minimum vijf te kiezen indien volledig jaarprogramma wordt gevolgd)

 

 

 

6. Kunstfilosofie : van Kant tot postmodernismeMarie-Anne Persoons

 

De cursus vertrekt vanuit de verwondering over het er-zijn van de kunst. Verschillende benaderingen die op dit “mysterie” een (gedeeltelijk) antwoord trachten te bieden worden in historisch perspectief geplaatst. De cursus besteedt daarom uitgebreide aandacht aan het werk van Immanuel Kant, vader van de moderne kunstfilosofie, en toont aan in hoeverre latere filosofen (Schopenhauer, Hegel, Marx, Nietzsche, Freud, Husserl, Benjamin en Heidegger, de Franse existentialisten en postmodernistische auteurs) nog steeds in dialoog staan met de Kantiaanse vraagstelling. Tegelijk worden ook klassieke thema’s zoals realiteit en fictie, kunst en maatschappijkritiek, originaliteit en reproduceerbaarheid, artistieke schoonheid vs. sociale verantwoordelijkheid vanuit een meer praktische invalshoek bekeken.

 

 

 

7. Kunst in de 19e eeuw - Anne De Neys

 

De 19e eeuw kenmerkt zich door verschuivingen en veranderingen op politiek, economisch en sociaal gebied. Deze sterk evoluerende maatschappij beïnvloedt ook het artistieke gebeuren. De kunsten komen in een stroomversnelling. De ene richting volgt op de andere. Wat rest is een complexe materie. Het hoofdkenmerk van de 19de-eeuwse kunst valt best te omschrijven als een spanning tussen de officiële kunst en de jonge, progressieve avant-garde.

 

 

 

8. Muziekgeschiedenis I : van gregoriaans tot Bach - Piet Stryckers

 

Na voeling met de schoonheid van het gregoriaans, wordt het ontstaan van de vroege meerstemmigheid in de gotische periode geschetst. Voor de renaissancetijd ligt de nadruk op de bloei van de polyfonie van de Nederlanden met Dufay, Josquin en Lassus. Eigen aan de vroege barok is het ontstaan van de opera in Italië (Monteverdi) en de verspreiding van de expressieve kunst van de begeleide solozang. De barokmuziek ontwikkelt zich verder in de cultuurlanden Frankrijk (Versailles), Engeland (Purcell, Haendel) en Duitsland (Schütz, Bach). Per cultuurperiode zullen vanuit typerende luistervoorbeelden de hoofdkenmerken van de verschillende muzikale stijlen en genres worden belicht.

 

 

 

9. Conservatie en restauratieLies Vanbiervliet

 

Aan de hand van case studies over het restaureren van kunstobjecten worden de verschillende facetten van conservatie en restauratie met beeldmateriaal aanschouwelijk gemaakt. Het vervaardigen van het artefact, de techniek en het materiaalgebruik worden toegelicht. Vervalverschijnselen, diagnose en conservering worden uitgelegd en aanschouwelijk gemaakt aan de hand van schema’s en lichtbeelden. De geschiedenis van de restauratie en de verschuivingen in ethische principes worden toegelicht in debat met de toehoorders. De discussie richt zich op thema’s als: wat is authentiek? Wat is mooi en wat zijn de esthetische opties ? Maar vooral: waarom ziet het verouderde kunstwerk er zó uit?

 

 

 

10. Literatuurgeschiedenis II : van barok tot postmodernisme - Frank Hellemans

 

De grote periodes en stromingen van de westerse letterkunde worden overlopen aan de hand van capita selecta: een aantal van de belangrijkste werken of auteurs. Bijzondere aandacht krijgt de Nederlandse literatuur uit Noord en Zuid. Dit tweede deel omspant ca. drie eeuwen: het vangt aan met de barok en eindigt met het postmodernisme. Talrijke uittreksels en teksten worden ter illustratie aangeboden. Ten slotte wordt een link gelegd naar andere kunstvormen bij de behandelde periodes.

 

 

 

11. Griekse en Romeinse kunstKoen Demarsin

 

In het eerste deel duiden we via sleutelwerken (bouwkunst, beeldhouwkunst, artefacten, etc.) en archeologische sites het ontstaan en de eigen dynamiek van de Griekse kunst tegen haar historische achtergrond.

 

In een tweede deel gaan we in op de ontwikkeling van de Romeinse kunst. We gaan in op hoe de dynamiek tussen de Italische en de Griekse kunst aan de grondslag lag van de Romeinse kunst en hoe deze in de keizertijd evolueerde en de voedingsbodem ging vormen voor de kunst uit de Late Oudheid. Meteen is een verbinding met de cursus “Laatantieke en Byzantijnse kunst” gemaakt.

 

 

 

12. Egyptische kunst - Marie-Paule Vanlathem

 

Na een kort overzicht van de Egyptische geschiedenis van de pre-dynastieke tijd tot 322 v. Chr., de komst van Alexander de Grote in Egypte, volgt de kunstgeschiedenis waarin de architectuur een grote aandacht krijgt: de evolutie van koninklijke en niet-koninklijke funeraire bouwwerken, alsook de religieuze gebouwen, namelijk de godentempels. Plannen, verschillende types van zuilen, bedaking, karakteristieke kenmerken van Egyptische architectuur, worden uitvoerig besproken. De koninklijke en private sculpturen worden chronologisch bekeken. De reliëf- en schilderkunst en de decoratie die vooral de architectuur opluistert, vormen het laatste deel van de cursus. Het geheel wordt afgerond met de kleinkunst en met enkele beelden en ideeën gewijd aan de Belgische opgravingen in Egypte.