I. BASISVAKKEN OF VERPLICHTE VAKKEN

 

(elk vak 6 lesavonden, alle vijf vakken op te nemen indien volledig jaarprogramma wordt gevolgd)

 

 

1. Schilderkunst in de Nederlanden: de eeuw van Bruegel N.

 

In de 16de eeuw doet de Renaissance haar intrede in de schilderkunst van de Nederlanden, en in het bijzonder in Antwerpen. Heel wat schilders

 

combineren Italiaanse invloeden met de picturale traditie van eigen bodem: hun werken getuigen van een nieuwe geest, waarbij toch het

 

eigen karakter van de individuele kunstenaar blijft uitkomen. Onder hen zijn grote namen als Quinten Metsys, Joachim Patinir, Jan Gossart, Pieter

 

Breughel, Antonio Moro… Nieuwsoortige thema’s –onder andere mythologische- worden in beeld gebracht; de emancipatie van de schildergenres

 

zet zich door: vele portretten, landschappen en genrestukken zijn een lust voor het oog. De laatste generatie schilders –Maarten de Vos, de broers

 

Francken, Otto van Veen- bereiden met hun monumentale stukken direct de 17de-eeuwse barokkunst voor.

 

 

 

2. Schilderkunst algemeen : Romaans en Gotiek - Peter De Laet

 

De schilderkunst van de middeleeuwen wordt in historisch perspectief aan de orde gesteld. Vanuit de Iers-Keltische vlechtwerkpatronen in de

 

boekverluchting, over de Karolingische en Ottoonse miniatuurkunst, wordt de lijn doorgetrokken naar de Romaanse schilderkunst. De expressieve

 

stijl en de kleurtegenstellingen van het Romaans worden besproken aan de hand van de muurschilderkunst en boekillustratie in Frankrijk en

 

Spanje. Tijdens de gotische periode volgen we parallel de humaniserende ontwikkeling van de verfijnde miniatuurkunst in Frankrijk en de levendige

 

paneel en wandschilderkunst in Italië. Afsluitend komt de internationale stijl aan bod.

 

 

 

3. Beeldhouwkunst algemeen : Romaans en Gotiek Danielle Calluwé

 

Oorsprong en ontwikkeling van de middeleeuwse beeldhouwkunst in Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië. Voor de Romaanse sculptuur valt

 

de volle aandacht op de regionale scholen in Frankrijk (Bourgondië, Languedoc, Auvergne, Aquitanië, Provence) en de route naar Santiago

 

de Compostela. De klassiek Gotiek is Sluter de centrale figuur. Voor de Duitse Gotische beeldhouwkunst wordt Straatsburg, Bamburg en

 

Naumburg behandeld. Voor Italië is de kunst van de Pisano’s het centrale uitgangspunt. Dit overzicht is geïllustreerd met origineel en gedetailleerd

 

beeldmateriaal en beoogt vooral een inzicht in de stilistische kenmerken, overeenkomsten en verschillen te verwerven.

 

 

 

4. Bouwkunst Algemeen : Barok, Rococo en Classicisme in West-Europa en de NederlandenStefan De Clippele

 

De cursus vat aan met de kerkelijke barok bouwkunst in Italië en gaat na op welke wijze deze geïnterpreteerd wordt in Vlaanderen. Vervolgens

 

wordt de burgerlijke bouwkunst in de zuidelijke Nederlanden toegelicht. Voor de architectuur van de 18de eeuw worden de ontwikkelingen in Zuid-

 

Duitsland en Oostenrijk vergeleken met die van Frankrijk. Op welke wijze werden deze invloeden in Vlaanderen in de rijk gestoffeerde hôtels de

 

maîtres verwerkt ? Bij deze ontwikkelingen wordt veel aandacht besteed aan de rijk gedecoreerde interieurs.

 

 

 

5. Esthetica II - Nanny Schrijvers

 

In deze cursus gaat het in de eerste plaats niet over kunstwerken maar over hoe mensen kunst aanvoelen, ervaren, smaken.

 

Wat verwacht men van kunst: schoonheid, verwondering, kwaliteit, plezier, inhoud, integriteit of waarheid…? Zijn er algemene regels of is de

 

esthetische beleving een individuele bezigheid? Deze lessenreeks sluit aan bij Esthetica I, maar kan ook zelfstandig gevolgd worden.

 

 

 

 

 

II. BIJZONDERE VAKKEN OF KEUZEVAKKEN

(elk vak 6 lesavonden, minimum vijf te kiezen indien volledig jaarprogramma wordt gevolgd)

 

 

 

6. Kunstfilosofie : van Kant tot postmodernisme - Marie-Anne Persoons

De cursus vertrekt vanuit de verwondering over het er-zijn van de kunst.

Verschillende benaderingen die op dit “mysterie” een (gedeeltelijk) antwoord trachten te bieden worden in historisch perspectief geplaatst. De

 

cursus besteedt daarom uitgebreide aandacht aan het werk van Immanuel Kant, vader van de moderne kunstfilosofie en toont aan in hoeverre

 

latere filosofen (Schopenhauer, Hegel, Marx, Nietzsche, Freud, Husserl, Benjamin en Heidegger, de Franse existentialisten en postmodernistische

 

auteurs) nog steeds in dialoog staan met de Kantiaanse vraagstelling. Tegelijk worden ook klassieke thema’s zoals realiteit en fictie, kunst en

 

maatschapppijkritiek, originaliteit en reproduceerbaarheid, artistieke schoonheid vs. sociale verantwoordelijkheid vanuit een meer praktische

 

invalshoek bekeken.

 

 

 

 

 

7. Kunst in de 19de eeuw - Anne De Neys

 

De negentiende eeuw kenmerkt zich door verschuivingen en veranderingen op politiek, economisch en sociaal gebied. Deze sterk veranderende

 

maatschappij beïnvloedt ook het artistieke gebeuren. De kunsten komen in een stroomversnelling. De ene richting volgt op de andere. Wat rest, is

 

een complexe materie. Het hoofdkenmerk van de negentiende-eeuwse kunst valt best te omschrijven als een spanning tussen de officiële kunst

 

en de jonge, progressieve avant-garde.

 

 

 

8. Muziekgeschiedenis I : van Gregoriaans tot Bach - Piet Stryckers

 

Na voeling met de schoonheid van het Gregoriaans, wordt het ontstaan van de vroege meerstemmigheid in de gotische periode geschetst. Voor

 

de renaissancetijd ligt de nadruk op de bloei van de polyfonie van de Nederlanden met Dufay, Josquin en Lassus. Eigen aan de vroege barok is

 

het ontstaan van de opera in Italië (Monteverdi) en de verspreiding van de expressieve kunst van de begeleide solozang. De barokmuziek

ontwikkelt zich verder in de cultuurlanden Frankrijk (Versailles), Engeland (Purcell, Haendel) en Duitsland (Schütz en Bach). Per cultuurperiode zullen

vanuit typerende luistervoorbeelden de hoofdkenmerken van de verschillende muzikale stijlen en genres worden belicht.

 

 

 

9. Conservatie-restauratie - Lies Vanbiervliet

 

Aan de hand van case studies over het restaureren van kunstobjecten worden de verschillende facetten van conservatie en restauratie met

 

beeldmateriaal aanschouwelijk gemaakt. Het vervaardigen van het artefact, de techniek en het materiaalgebruik worden toegelicht.

Vervalverschijnselen, diagnose en conservering worden uitgelegd en aanschouwelijk gemaakt aan de hand van schema’s en lichtbeelden. De

geschiedenis van de restauratie en de verschuivingen in ethische principes worden toegelicht in debat met de toehoorders. De discussie richt zich

op thema’s als : wat is authentiek ? Wat is mooi en wat zijn de esthetische opties ? Maar vooral : waarom ziet het verouderde kunstwerk er zó uit ?

 

 

 

10. Literatuurgeschiedenis II : van barok tot postmodernisme - Frank Hellemans

 

De grote periodes en stromingen van de Westerse letterkunde worden overlopen aan de hand van capita selecta: een aantal van de belangrijkste

 

werken of auteurs. Bijzondere aandacht krijgt de Nederlandse literatuur uit Noord en Zuid. Dit tweede deel omspant ca. drie eeuwen: het vangt

aan met de barok en eindigt met het postmodernisme. Talrijke uittreksels en teksten worden ter illustratie aangeboden. Ten slotte wordt

 

een link gelegd naar andere kunstvormen bij de behandelde periodes.

 

 

 

11. Griekse en Romeinse kunst Koen Demarsin

 

Via een overzicht van de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst wordt aangetoond hoe de Griekse kunst de wieg vormt van de

 

westerse beschaving. Illustreren dat de Romeinen eigen Italische elementen combineerden met de verworvenheden van de Laat-Griekse

 

en Hellenistische cultuur, en deze twee-polige beschaving over gans Europa verspreidden, is het volgende objectief. Tenslotte wordt beschreven

 

hoe deze cultuurfusie uiteindelijk de duimen moest leggen voor de regionale kunstuitingen in het Romeinse imperium en aldus de Laat-Antieke

 

beschaving inluidt. Meteen is een verbinding met de cursus “Vroegchristelijke en Byzantijnse kunst” gemaakt.

 

 

 

12. Egyptische kunst - Marie-Paule Vanlathem

 

Na een kort overzicht van de Egyptische geschiedenis van de predynastieke tijd tot 322 v. Chr., de komst van Alexander de Grote in Egypte, volgt

 

de kunstgeschiedenis waarin de architectuur grote aandacht krijgt : de evolutie van koninklijke en niet-koninklijke funeraire bouwwerken, alsook

 

de religieuze gebouwen, namelijk de godentempels. Plannen, verschillende types van zuilen, bedaking, typische kenmerken van Egyptische

 

architectuur, worden ruim behandeld. De koninklijke en private sculpturen worden chronologisch bekeken. De reliëf- en schilderkunst en de

decoratie die vooral de architectuur opluistert, vormen de laatste te behandelen stof van de cursus. Het geheel wordt afgerond met de kleinkunst

en met enkele beelden en ideeën over de Belgische opgravingen in Egypte.